Vorige maand ben ik verhuisd. De eerste dagen dwaalde ik met mijn gezin door de vreemde ruimtes. Ik testte welke hoek het beste werkte als thuiswerkplek – het nisje achterin, of toch bij het grote raam aan de voorkant. De kinderen ontdekten nieuwe verstopplekken: achter de kapstok en in de voorraadkast. Op de fietsroute richting huis bekeek ik de omgeving met extra aandacht: het groen, de huizen, de mensen. Ik werd blij van mijn nieuwe buurt.
Het nieuwe huis werd thuis. Niet door dozen uit te pakken, maar door de ruimte te gebruiken, te beleven en eigen te maken. Opnieuw raakte het me hoeveel verschil een fijne plek maakt. Die gedachte liet me niet los toen ik drie totaal verschillende plekken bezocht waar werd nagedacht over de toekomst van onze leefomgeving: de Dutch Design Week in Eindhoven, de Architectuurbiënnale in Venetië, en een werkconferentie van de vier TU’s over toekomstscenario’s voor Nederland. Drie keer ging het over ontwerpen voor de toekomst. En steeds opnieuw vroeg ik me af: hoe willen we dat onze omgeving eruitziet en wat maakt een plek écht fijn om in te leven?
Dutch Design Week: ontwerpen met gevoel
Tijdens Dutch Design Week kwamen fijne plekken tot leven met behulp van materiaal, interactie en zintuigen. In Matchbox van Trudo leek het alsof je dwars door een boom liep, dankzij het prachtige samenspel van bamboe, hout en azobé. Andere installaties lieten je ademen, ruiken, voelen of zingen – en nodigden uit tot samen zijn. Wat bleef hangen: duurzaam bouwen gaat niet alleen over materiaal of ontwerp, maar ook over gevoel. Over plekken die zacht, uitnodigend en vertrouwd aanvoelen.
Architectuurbiënnale: wie bepaalt wat mooi is?
Bij de Architectuurbiënnale werd de fijne plek vanuit onverwachte hoeken benaderd. Niet de gebouwen stonden centraal, maar wat eronder, ertussen en eromheen gebeurt: bodem, water, geur, geluid. Ontwerpen ontstonden uit samenwerkingen tussen disciplines – niet alleen architecten, maar ook ecologen, kunstenaars en sociologen. De belangrijkste les: breek uit de silo’s. Wat me opviel was dat het gesprek zelden ging over wat we bouwen, maar juist over hoe het voelt om ergens te zijn. En: in hoeverre wordt ons idee van ‘mooi’ of ‘fijn’ bepaald door cultuur en tijdgeest?
De vier TU’s: durven dromen
Tijdens de werkconferentie met de vier TU’s werden we uitgedaagd om los te komen van het hier en nu. Jeroen Oomen gaf een scherpe lezing over hoe moeilijk het is om écht buiten onze huidige denkkaders te stappen. Dit bood een interessant startpunt voor een gesprek tussen academici en professionals, waarin er werd gesproken over wat we wenselijk vinden in de toekomst en hoe dat eruit zou kunnen zien. De ruimte om niet alleen in haalbaarheid te denken, maar in waarden en verhalen, voelde verfrissend. Precies dat soort perspectief inspireert ook bij het werk dat we bij C-creators doen: kijken naar plekken vanuit meerdere invalshoeken en durven af te stappen van bestaande kaders.
Drie plekken, drie perspectieven, één verlangen: leefomgevingen creëren waar mensen zich goed voelen. Want hoe je je voelt, hangt samen met waar je bent. Misschien begint ontwerpen voor de toekomst daar: niet bij de vraag wat we bouwen, maar bij hoe we ons willen voelen als we thuiskomen.
Dit artikel is geschreven door Liesbeth Willemsen, programmamanager bij C-creators.
Afbeelding: Architectuur Biënnale Venetië